Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoe Godert met uitgerekten hals stond te kijken, hoe wij uitstapten.

Wij werden ontvangen door een aardige, oude tante. Zoo'n tante met een wit sjaaltje om, zoo'n klein, fijn menschje met koele grijze onderzoekende oogjes.

Ze scheen niet getrouwd te zijn en een poosje hier gekomen om Godert gezelschap te houden.

Ze maakte een grappige, ouderwetsche buiging voor Onkeltje, en mij pakte ze dadelijk de beide handen beet, keek mij onderzoekend aan en zeide op tevreden toon: „Zoo, zoo, kindje, blij dat ik je zie, we zijn heelemaal niet vreemd voor elkaar, want ik heb je vroeger als baby dikwijls gezien."

Ze vroeg naar Michon, en naar jou, ze vertelde in één adem hoe ze er tegen opgezien had, hier in den laten herfst te komen, dat ze zoo prettig in de stad woonde, dat zij zoo tegen de eenzaamheid opzag en dat zij zoo blij was geweest, toen zij hoorde dat wij in de buurt waren. „Je moet haar maar toestaan, notaris, dat ze mij nu en dan komt opzoeken. Als het zulk guur weer is, kom ik nooit uit, vandaag is het een uitzondering en voor den tijd van 't jaar ongeloofelijk." Als haar neef dan ook niet aangeboden had, te zorgen dat er in de meeste kamers vulkachels waren, zou ze nooit gekomen zijn. Het was vreeselijk warm in de kamer, maar ze scheen het nog koud te hebben, te oordeelen naar het doekje, dat ze nu en dan huiverend om zich heen trok. Terwijl ze praatte, zette ze thee en rinkelde met kopjes en lepeltjes. Je kunt het je wel voorstellen, ook, hoe Onkeltje zat te luisteren, de dikke handjes gevouwen, terwijl zijn grijze bolletje nu en dan eens knikte. Hij was echt opgeborgen, want toen Godert binnenkwam en het gesprek meer algemeen werd, zeide de tante op eens: „Je moest haar toch even de kassen laten zien, Godert, 't is haast onbegrijpelijk, welke mooie bloemen we in dezen tijd van 't jaar nog hebben. Ik durf niet te gaan,

Sluiten