Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Waar gaan we naar toe ?" vroeg hij, niet ingaand op haar gezegde over de predikantsdochter.

„Ik wandel," — zeide ze kleurend — „en u jaagt 1"

„Ik zoek ik zoek al sinds een week." Toen, op eens

haar hand vattende, zeide hij op hartstochtelijken toon: „Hoe wil je nu toch, Anne Marie, dat ik de gelegenheid vind je ergens te zien? Als ik bij jullie aanbel, is die notaris nooit thuis, ik kan jou alleen toch niet een bezoek gaan brengen, dat hoort niet, ik heb al mijn spionnen aan 't werk gezet, om te weten te komen wanneer hij weerkomt. Ik kan hem wel een brief schrijven, maar eerst moet ik wat

weten , eerst moet ik weten, of ik hem, ook uit jouw

naam, iets vragen mag."

Hij dwong haar nu even tot stilstaan en keek haar vast in de oogen. Zij sloeg de hare verschrikt neer, als kon ze het licht in de zijne niet verdragen. Zij stonden op een boschpad, voor hen lag de oneindige heide, nu een groote sneeuwvlakte, hier en daar stond een denneboom of kale berk, als een eenzame, ingesneeuwde schildwacht te druomen.

Om hen heen de heilige, groote, indrukwekkende stilte, nergens was een menschelijk wezen te bespeuren; ze hadden kunnen denken dat ze de eenige menschelijke wezens op aarde waren en dat het de eerste maal was dat hartstochtelijke, vurige woorden van liefde werden gesproken en sterke armen zich sloegen om een teere, aanhankelijke vrouwengestalte.

In die oogenblikken was het, of Anne Marie een ander werd. Haar oppervlakkige luchthartige natuur scheen ten onder te gaan en de vrouw ontwaakte. De vrouw, die lief heeft en die leeft van liefhebben, de vrouw, die geeft, al maar geeft, en leeft van geven.

Zij was de eerste, die weer aan alles dacht, die zag hoe de grijze nevelen aan kwamen zetten over de wijde vlakten en hoe kleine, haast onzichtbare sneeuwvlokjes zachtkens kwamen neerdalen.

Sluiten