Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu allemaal niets schelen, dat doet niets aan mijn liefde af ?"

De notaris zweeg. Op eens leefde hij in het verleden, hij zag het mooie jonge kind, dat voor hem de belichaming was geweest van al de lieflijkheden des levens, de moeder van haar die nu tot hem sprak, en hij hoorde nog de zachte overredende stem van zijn eigen moeder. Hoe dikwijls had ze hem niet gezegd: „Ze zal je niets dan ongeluk brengen in je leven, ze is een mooie pop, meer niet; ze is het niet waard, dat jij, met al je gaven, iets om haar geeft, ze neemt, ze zal aldoor nemen en nooit iets geven, en dan gooit ze je weg als een uitgeknepen citroen."

Was dat al zóó lang geleden ? Die mond die dat gesproken had was al sinds lang gesloten. Had ze hem zooveel verdriet gebracht in 't leven ? Zou zijn moeder, als ze hem nu kon, zien, niet zeggen: „Kijk, hoe eenzaam je leven is. Je bent oud en niemand is er aan wie je rechtens toebehoort."

Zoo even was hij nog bij haar geweest, boven. Ze had in een grooten fauteuil gezeten, in een lichtblauwe kamerjapon,, zoo teer en zoo fijn en ze had een van haar weinige heldere oogenblikken gehad. Haar twee kleine handen had ze hem. toegestoken en in haar eigen zangerige taal had ze hem gezegd: „Nietwaar Otto, je wordt er toch niet moe van om voor me te zorgen, je moet denken ik heb niemand in de wereld, niemand.",

Hij had er de tranen van in de oogen gekregen, en had; een paar keer moeten hoesten, voordat hij iets kon zeggen. Maar 't was niet noodig geweest, om iets te zeggen, arme krankzinnigen wachten geen antwoord.

„Mijn arm hoofd, Otto, het doet mij altijd zoo'n zeer, ik ben zoo verschrikt en zoo angstig en zoo gejaagd. Als ze nu maar tegen me zeggen, de notaris is daar buiten, of hij is beneden, dan is het net of ik weer kalm word.... Je komt toch iederen keer weer ?.... Je zult me toch niet aan mijn

Sluiten