Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•en voor zich laten bidden. Straks zou het weer dag worden, en dan zou ze opstaan en de dagelijksche, altijd wederkeerende plichten zouden op haar wachten; maar de dag zou komen dat het in haar ziel ook stil en rustig zou zijn — dat wist ze zeker — en dat ze ook zou kunnen zeggen met een oprecht harte: „Uw wil o Heer 1 Uw wil alleen 1"

Intusschen had de dokter zoo snel mogelijk voortgefietst. Neen, nu dacht hij niet aan een inrichting, die verantwoordelijk was, of aan eene directrice die onrustig was. Hij dacht aan haar, aan haar, aan wie hij den laatsten tijd steeds dacht. Hoe lief had hij haar! Waarom hij het haar maar niet eerder gezegd had, dan had hij nu het recht gehad voor haar te zorgen. Dan had hij haar nu in de armen kunnen nemen, en al haar angst doen vergeten. Want angstig zou ze zich wel gemaakt hebben. Hij wist hoe plichtmatig ze was en hoe streng voor zich zelf. Zij, het meisje, waarvan hij vroeger altijd gedacht had, dat ze oppervlakkig en beuzelachtig was! — Dat hij toch zóó verblind had kunnen wezen! Je behoefde haar maar in de oogen te zien.

't Was een dolle rit, die rit van den dokter over den langen grintweg, tusschen de heidevelden in. 't Was nu weer goed weer geworden, de zwarte wolken waren weggedreven en haast niet meer te zien. En de maan scheen helder en dé sterren schitterden èn flonkerden, maar hij zag van dit alles niets, zelfs zijn verbazing om den uitval van Ilse was hij vergeten. Hij zag nu maar één ding voor zich: haar, die hij lief had, en daarom spoedde hij zich voort, al maar voort, alsof de dood hem op de hielen zat.

Op Welgelegen leek er wel feest te zijn. Van uit de verte kon hij het al zien dat al de kamers verlicht waren. De deur stond open, en druk gepraat klonk overal, in de gangen en in de kamers. De boer van de boerderij vlak bij

Sluiten