Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rukte kleine Fransche uitroepjes kwamen haar dan over de lippen, en soms moest de notaris zich even afkeeren zoo sterk herinnerde het hem aan vroegere tijden.

Daar kwamen ze aan: nu droeg de blijde jonge vader het kraaiende, spartelende wichtje in zijn armen; met groote passen was hij den weg overgestoken — want ze woonden vlak bij.

„Wat zegt u van mijn jongen ?" vroeg hij, trotsch rondziende.

Soeurette kwam haastig achteraan, ze was iets gezetter geworden, maar als 't kon nog mooier dan vroeger. Ze straalde van geluk, toen ze de twee aanzag, haar man en haar jongen.

„Onkeltje!" — riep ze al uit de verte - „heeft hij het al verteld? Onze jongen is weer een half pond aangekomen van de week."

„Ik ga me weer jong gevoelen" — schertste hij — „tusschen al die jeugdige paren, het is een apart gevoel als je op de hoogte van grootvader bent gekomen."

De jonge moeder was naast hem gaan zitten, het kindje op haar schoot; telkens hadden ze iets te bekijken en te betasten, zijn kleine handjes, de kleine voetjes, die het omhoog schopte, de grappige, kleine krulletjes op zijn donkere bolletje. En de schitterende kinderoogen, daar was men nooit naar uitgekeken.

Als ze straks weer naar huis gaan, gaat Onkeltje mee in den optocht. Soeurette wil hem het kindje laten dragen, maar hij bedankt met een benauwd gezicht: „Ik zal je al de bezittingen van je prinsje wel nadragen." — En hij belast zich met een beenen ring en een wit kapertje.

Door het witte hek komen ze bij de aardige villa, die «chuins tegenover Gerkestein ligt, en die Onkeltje had laten verbouwen en veranderen, tot ze iets heel aardigs was geworden.

Toen dokter van Hoogsteden tegengestribbeld had, en gesproken had van weldaden, die men niet kon aannemen, en dat hij best in staat was een behoorlijk huis voor zijn aanstaande

Sluiten