Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„verbintenis" heeten) heft zijn tegenstrijdigheid op in de levering, waardoor het uiterlijke bezit, dat in strijd met het wezenlijke (de overeenkomst) nog bestond, tot bezit en eigendom van de andere partij wordt gemaakt (§ 79).

Ten slotte is nog iets anders op te merken. In § 76 onderscheidt Hegel formeele en reide „verdragen". Eene formeele overeenkomst is wat de rechtswetenschap (cf. sub II) eene eenzijdige overeenkomst (cf. § 77) noemt, b.v. eene schenkingsovereenkomst. Deze is dus (in den regel) tevens eene handeling „om niet", daar de begiftigde een (economisch) onvergolden voordeel verkrijgt.

De reëele overeenkomst noemt de wetenschap eene tweezijdige of wederkeerige (cf. § 77) overeenkomst (cf. sub II), b.v. eene ruil- of eene koopovereenkomst. Deze zijn meestal „onder bezwarenden titel", daar beide partijen voor hare praestatie eene contrapraestatie ontvangen. Indien de wederzijdsche praestaties niet gelijk van waarde zijn, is de wederkeerige overeenkomst, wat de Overwaarde betreft, dus (gedeelteüjk) eene handeling „om niet".

Deze onderscheiding in formeele en reëele contracten zal ik niet verder ontwikkelen; ik moest het echter even ter sprake brengen, omdat Hegel op sommige plaatsen over de overeenkomst in het algeméén spreekt, terwijl wat hij zegt alleen geldt voor de z.g. „reëele" overeenkomsten (b.v. in § 74; want zie § 76 Zus. en § 77).

IV.

Mijn en Dijn.

De juridische literatuur werkt met haar vaktermen als etiketten, die hare per definitie vastgestelde beteekehis hebben, en welke we, voor zooverre ons onderwerp betreft, sub II hebben aangegeven. Ouderwetsche philosophen gebruiken vaak andere termen, welke meer aansluiten bij die van het dagehjksch leven; het heeft zijn nut ook de beteekenis van deze onjuridische termen te doordenken, omdat ze gezichtspunten aan het ücht kunnen brengen, die in de juridische terminologie verduisterd zijn. Met name spreekt Kant voortdurend van „mijn en dijn" enz., b.v. in zijn Metaphysik der Sitten: „Das Privatrecht vom ausseren Mem und Dein überhaupt", „Von der Art etwas Aüsseres als das Seine zu haben", of „zu erwerben", etc. En zoo gewaagt Hegel van eene zaak, welke „die Meinige" is (§ 44). Ook in het latijn treffen we dergelijke

Sluiten