Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TÖt èie verwarrende terminologie van oud-Germaansche bronnen, waar de schuldeischer bij gelegenheid als „debitor" wordt aangeduid!

„Schuld" komt van „skulan", d. i. behoorlijk, als een rechtens behooren, dus als een rechtens bepaald zijn; en dit rechtens behooren betreft zoowel schuldenaar als schuldeischer, niet alleen zoo, dat we het behooren als eenheid van moeten en mogen verdeelen over de partijen op die wijze, dat de schuldenaar moet en de schuldeischer mag, maar dat ze beiden t. a. v. dezelfde praestatie moeten én mogen. Het „halten sollen" aan de afspraak is niet alleen „leisten sollen" voor den debiteur en „bekommen sollen" voor den crediteur, al üggen de accenten wel zoo, maar voor beiden geldt het omgekeerde, want geldt de totaliteit, d. i. de elkaar doordringende momenten, die in of als de verbintenis één zijn.

Gewoonlijk noemt men de schuld van den debiteur de passieve zijde van de verbintenis; hij is de „lijdende" partij, hij moet de praestatie „lijden". Maar deze lijdelijkheid geldt voor den crediteur slechts als de debiteur op den vervaldag zijn activiteit toont, door te praesteeren. Met evenveel recht is de schuld dus de actieve zijde van de verbintenis te noemen; in den debiteur zijn het passieve en actieve moment vereenigd. Hetzelfde geldt (omgekeerd) van den crediteur. Zijn behooren is passief te noemen inzooverre hij de praestatie heeft af te wachten, maar daar hij deze kan vorderen, is zijn recht, zoo hij dit wil, actief. Zijn passief behooren te ontvangen moet om te gelden zich (bij gelegenheid) doen gelden door actief te eischen, en het actieve behooren te praesteeren van den debiteur wacht (bij gelegenheid) passief af of de crediteur actief wordt1).

Dit brengt ons in verband met de opmerking, die Hegel in § 79 maakt over de bewering van Fichte, die gezegd heeft, dat de „Verbindlichkeit den Vertrag zu halten" (d. i. de schuld) eerst voor elk van beide partijen begint met het begin der praestatie door de andere partij. Dit ziet vooreerst alleen op wederkeerige overeenkomsten, terwijl bovendien de kwestie verkeerd gesteld is. Want de verpHchting om op den vervaldag te leveren is meteen met de overeenkomst (immers als de overeenkomst of verbintenis) ontstaan; waar bij wederkeerige overeenkomsten de

x) Dit ware nader uit te werken op dezelfde wijze als Hegel in zijn Phaenomenologie (A. III) het spel der elkaar solliciteerende krachten behan delt. Het solliciteerende en het gesolliciteerde verkeeren zich.

Sluiten