Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spoed en geluk zouden alzoo in de wereld heerschen en de toekomst der maatschappij zou als het ware een paradijs op aarde worden.')

Ook in ons land vinden dergelijke idealistische beschouwingen hoe langer hoe meer steun en worden door woord en geschrift onder het opkomend geslacht verspreid. Het kwam mij daarom voor, dat het niet overbodig is dit onderwerp nader te bespreken en aan te toonen, met alle waardeering voor de goede bedoelingen, die aan de geheele beweging ten grondslag liggen, dat van dergelijke wijze van rasverbetering niet veel te verwachten is. Niet alleen is daarvoor nog veel te weinig bekend omtrent de regels der erfelijkheid, maar ook houdt men niet voldoende rekening met de menschelijke natuur, zooals deze uit de ervaring blijkt te zijn en in Gods woord geopenbaard is.

Ten einde het verband tusschen erfelijkheid en rasverbetering na te gaan, is het in de eerste plaats noodzakelijk te weten wat onze tegenwoordige kennis omtrent de erfelijkheid is. Natuurlijk laat de beschikbare ruimte slechts toe een zeer beknopt overzicht te geven en zal ik mij daarom bepalen tot iets van datgene, wat omtrent de bevruchting bekend is en verder een en ander mededeelen aangaande de proeven van M end el. Het eerste is noodig om eenig inzicht te hebben in het groote verschil tusschen erfelijke en aangeboren eigenschappen, het laatste om eenige voorstelling te krijgen van de enorme moeilijkheden, waarmede het zbo ingewikkelde onderzoek naar de erfelijkheid gepaard gaat.

Het was zeer moeilijk zich een juiste voorstelling te vormen over het ontstaan van een nieuw individu, toen men nog niet de beschikking had over de noodige hulpmiddelen. Vooral de uitvinding van het mikroskoop en de ontwikkeling van physica en chemie hebben in dit opzicht groote verbeteringen aangebracht. Men had wel eenig vermoeden, dat alle levende wezens afkomstig moesten zijn uit een levende cel, maar het was een open vraag hoe dit geschiedde. Men wist, dat een zaadcel en een eicel bij elkander moesten komen, maar het was niet bekend welke rol ieder daarbij speelde.

') Dr. H. Bavinck. De nieuwe opvoeding. Kampen 1917 bladz. 23-35.

Sluiten