Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de bevruchting wordt dus de kiem gelegd voor een geheel nieuw individu, dat zich volgens vaste wetten verder ontwikkelt. Uitwendig vertoont deze kiem geen bijzonderheden, waardoor zij zich van andere onderscheidt en toch bevat zij reeds alle voorwaarden voor hare verdere ontwikkeling, want uit de kiem van een paard ontstaat nooit een ezel maar altijd weer een paard. Om dit te verklaren dacht men vroeger aan een zekere praeformatie en meende men, dat de kiem een buitengewoon verkleind, miniatuurbeeld van het volwassen individu zou bevatten. Deze opvatting wordt echter niet meer onder dien vorm aangenomen; men meent dat in de chromatine van den celkern uiterst kleine levende eenheden aanwezig zijn, die als de stoffelijke dragers van bepaalde eigenschappen of complexen van eigenschappen beschouwd moeten worden. Deze eenheden zijn het meest bekend als determinanten onder welken naam zij door Weismann zijn beschreven. Volgens deze theorie zou de chromatine een zeer samengestelden bouw hebben en de geheele ontwikkeling afhankelijk zijn van de aanwezigheid van determinanten.

In den laatsten tijd zijn echter allerlei bezwaren tegen deze beschouwing ingebracht en inzonderheid L o t s y meent, dat meer aan een chemisch proces gedacht moet worden. Hoe dit ook zij, het een zoowel als het ander brengt het probleem niet tot een oplossing en laat het wezen der zaak in het duister; hoe meer men er over denkt, hoe dieper het mysterie wordt. Indien men uitgaat van substraten voor de erfelijke eigenschappen onder den vorm van determinanten, dan doet zich de vraag voor hoe het toch komt, dat deze determinanten zoo volkomen onveranderlijk blijven, terwijl alles om hen heen in voortdurende actie is. En gaat men uit van chemische krachten, dan moeten er toch ook stoffelijke momenten aanwezig zijn, waaraan deze krachten gebonden zijn.

In elk geval vormt zich in de kiem een organisatie, die zich volgens vaste wetten verder ontwikkelt tot een volwassen individu. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat uitwendige omstandigheden geenerlei invloed kunnen uitoefenen op den aard van deze ontwikkeling, maar vast staat dat alleen de eigenschappen, die bij den eersten aanleg aanwezig zijn, van de beide ouders afkomstig zijn en het is om deze reden, dat uitsluitend deze eigenschappen van het eerste kiemplasma

Sluiten