Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het recht, om dezen eisch te stellen, ontleende Hij daaraan, dat Hij de Christus was, de Zoon des levenden Gods; zoo erkende Hij zichzelf, Matth. 11 : 27, aldus duidde Hij zich onder den naam van Menschenzoon bedektelijk aan, Matth, 8 : 20, 9 : 6 enz., als de beloofde Messias werd Hij in zijne werken openbaar, Matth. 11 i 4—6, en als zoodanig S werd Hij ten slotte klaar en beslist door zijne discipelen bij monde van Petrus erkend en beleden, Mark. 16: 16. Daarom bezat Hij de macht, om de zonden te vergeven, Matth. 9: 6, om zalig te spreken, Matth. 5 : 3 v., om het koninkrijk te geven. Luk. 12 : 32, 22 : 29 enz.; en daarom mocht en kon Hij ook eischen, dat men om des Evangelies wil, om Zijnentwil, om Zijns naams wil alles verlaten zou, Matth. 5:11, 10: 39, 16 : 25, 19 : 29, 24 : 9.

En als de Christus, gaat Hij zelf zijn discipelen op den lijdensweg voor. Volgens Matth. 16 : 21, 17 : 22, 20 : 19 begon Jezus eerst tegen het einde zijner werkzaamheid in Galilea, op de laatste reis naar Jeruzalem meer in bijzonderheden over zijn aanstaand lijden en over de wijze van zijn sterven te spreken; Hij zou niet alleen overgeleverd en gedood, maar bepaald ook gegeeseld en gekruisigd worden, Matth. 20 : 17. Het kruis, dat Hij tegemoet ging, en straks zelf gewillig op zich nam, werd daardoor een symbool van het lijden, dat ook den discipel van Jezus in dit leven te wachten stond. In de eerste plaats een symbool van het martelaarschap, dat ook velen van zijne discipelen, met name zijne apostelen, zouden hebben te ondergaan, Matth. 10 : 28, Joh, .13 : 36, 16 : 2, 21 : 18, 19, maar voorts meer algemeen van het lijden, dat den discipel van Jezus door de belijdenis van Zijn naam in dit leven overkomen zou; immers zegt Jezus in Luk. 9 : 23, dat wie achter Hem wil komen, zijn kruis dagelijks opnemen en Hem volgen moet.

In heel zijn leven, maar bepaaldelijk ook in zijn lijden en sterven, waartoe volgens het Evangelie van Johannes, 13 : 15, ook de voetwassching behoort, stelde Jezus zichzelven tot een voorbeeld, dat Zijne discipelen hadden na te volgen. De discipel is immers ook niet boven den meester, noch de dienstknecht boven zijnen heer; het zij den discipel genoeg, dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienstknecht gelijk zijn heer, Matth. 10 : 24, 25, Luk. 6 : 40, Joh. 13:16, 15 : 20. De navolging van Christus bestaat dus niet in een Hem uitwendig volgen op al Zijne wegen, noch ook alleen in een luisteren naar Zijne woorden of in een zeggen van Heere, Heere ; maar in een doen van den wil des hemelschen Vaders, gelijk Hij zelf dien volmaakt heeft volbracht, in een zichzelf

Sluiten