Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de gemeente op aan, om hare zelfstandigheid te bewaren en eene eigene positie in de wereld te veroveren. En daarom rieden de apostelen eenparig de betrachting dier deugden aan, waardoor de geloovigen in dien tijd alleen invloed op die wereld konden uitoefenen, de deugden van waarheid, rechtvaardigheid, heiligheid, Ef. 4 : 24, van reinheid, ingetogenheid, matigheid, Ef. 5 : 3—5, van bidden, waken en vasten, Hand. 14 i 23, Rom. 12 : 12, 1 Cor. 7:5, 1 Petr. 4:7, 8, van geloof, liefde, lijdzaamheid, 1 Tim. 6 : 4, van broederliefde, mededeelzaamheid, herbergzaamheid, Rom. 12 : 13, van ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid, Col. 3 ; 12, van al die deugden, welke Paulus roemt als vruchten des Geestes en tegen de werken des vleesches overstek, Gal. 5 ; 19-22. ; j vT

Sterker nog; niet alleen staan in de ethiek des Nieuwen, Testaments deze zoogenaamde passieve deugden op den voorgrond, maar de geloovigen worden steeds vermaand tot het volbrengen hunner plichten, en zoo goed als nimmer aange-. spoord, om op te komen voor hunne rechten. Het Nieuwe I Testament zegt nergens, dat het instituut der slavernij ongeootloofd is; Jezus gaat van de onderstelling uit, dat, al zijn er ook vrije daglooners en huurlingen, Matth. 20: 1, Mark. 1 • 20, Luk. 15; 17, de slavernij toch wettig bestaat, Matth. 13 : 34, 18 : 23 v., 25 : 14 v., Luk. 12 : 42, 17 : 7, en spreekt met geen enkel woord over hare onrechtmatigheid. En Paulus zegt wel, dat de slaaf door zijne bekeering een vrijgelatene des Heeren wordt, evenals een vrije daardoor in een dienstknecht van Christus verandert: maar de slaaf bjijft 'slaaf, en blijve dat zelfs liever, ook als hij vrij kan worden (aldus de meer waarschijnlijke opvatting van 1 Cor. 7: 216). De apostel stelt zich met de geestelijke vrijheid der Christenslaven tevreden, en trekt deze vrijheid hoegenaamd niet in het sociale leven door; den bekeerden slaaf Onesimus zendt hij naar zijn heer terug, zij het ook als meer dan een slaaf, n.1. een geliefden broeder, Phil. 16. En wel worden de heeren opgewekt om hunne slaven recht en gelijk te doen, en de dreiging na te laten, Col. 4 : 1. Ef. 6:9; maar veel ernstiger worden de slaven vermaand, om hun heeren in alles gehoorzaam te zijn, met vreeze en beven, niet alleen den goeden en bescheidenen, maar ook den harden, Ef. 6 : 5, Col. 3 : 22, 1 Petr. 2:8.'

Evenzoo wordt bij de verhouding der kinderen, vrouwen en onderdanen tot hunne ouders, mannen en overheden steeds op de onderdanigheid van eerstgenoemden de sterkste nadruk gelegd. Wel behooren de vaders hunne kinderen

Sluiten