Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid en zijne vrijheid moet prijsgeven, dan dat hij tot het weerstaan van den Vijand zich aangordt, dan heft hij daarmede zichzelven en heel de rechtsorde op. Indien de militie moet afgeschaft worden, is het handhaven van justitie en politie onmogelijk, want beide dienen, om desnoods door dwang de rechtsorde in stand te houden, hetzij naar binnen hetzij naar buiten. De eisch nu, om heel de rechtsorde te laten vallen en alleen aan het gebod van het koninkrijk Gods te gehoorzamen, is misschien de consequentie van eene anarchistische en quietistische moraal, maar heeft met de Christelijke ethiek niet het minste van doen. Immers is de liefde in Oud en Nieuw Testament niet eene weeke gevoelsstemming, die alle actie buitensluit, maar een gebod, dat in het recht Gods is gegrond met het gevoel ook het verstand en den wil in beslag neemt, en niet tegenover het recht staat, maar aan de handhaving daarvan dienstbaar is. Het kruis van Christus is daarvan het krachtigste bewijs; de barmhartigheid is daarin met de gerechtigheid verzoend.

Ten andere is daarom de vraag, of Christendom en oorlog te vereenigen zijn, minder duidelijk gesteld. Het Evangelie staat als zoodanig geheel buiten en boven den oorlog; het wil niets liever, dan dat menschen en volken met elkander in liefde en vrede samenwonen; Christus verbood aan Zijne discipelen, om voor de verdediging van Zijne zaak tot het zwaard de toevlucht te nemen, want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan; Zijn koninkrijk is niet van deze wereld. Op de belijders van den Christus, met name op een Christelijke overheid, rust daarom de dure plicht, om zooveel mogelijk den vrede te bevorderen. De pogingen,, om tot ontwapening te komen, om alle geschillen tusschen de volken door arbitrage tot beslissing te brengen, om oorlogen te voorkomen en een duurzamen vrede te bewerken, verdienen van Christelijk standpunt aanmoediging en steun. De onvruchtbaarheid, waarmede die pogingen geslagen zijn en voortdurend geslagen worden, behoort ons van hunne aanwending^ niet af te schrikken. Bij de bestrijding van zonde, ziekte, ellende en dood weten wij van te voren, dat wij er niet in slagen zullen, om ze geheel te overwinnen, maar de ervaring leert, dat wij toch iets, en soms veel bereiken kunnen. Zoo hebben wij ook alle krachten in te spannen, om den oorlog met al zijne stoffelijke en geestelijke ellenden zoo lang mogelijk tegen te gaan. De onverwinbaarheid van het kwaad is geene verontschuldiging, om het stil te laten bestaan en zonder tegenstand te laten voortwoekeren. Indien het meerdere niet te ver-

Sluiten