Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

krijgen is, mag daarom het mindere'niet worden versmaad.

De vraag echter, waar het bij de verhouding tusschen Christendom en oorlog op aankomt, is deze, of de rechtsorde in deze booze wereld zonder dwang en straf te handhaven is, en of het Christendom, indien dit niet mogelijk mocht zijn, zich daartegen verzet. Op deze vraag kan het antwoord, naar het schijnt, geen oogenblik twijfelachtig zijn. Immers, is niet alleen het Evangelie, maar ook de wet, niet alleen de zedelijke, maar ook de rechtsorde van goddelijken oorsprong. Alle macht, die er is, is van God geordineerd; zij is Gods dienares en draagt het zwaard niet tevergeefs. Zonder gezag en macht is geene menschelijke samenleving mogelijk. En Christus is niet gekomen, om deze ordening Gods te weerstaan of op zijde te zetten, maar integendeel, om ze te bevestigen en te heiligen; de genade onderstelt en herstelt de natuur ; het Evangelie doet de wet. niet te niet, maar vervult haar. Zulk eene houding neemt het Evangelie aan tegenover de gansche natuur en tegenover alle bestanddeelen der cultuur; tegenover huwelijk, gezin, beroep, nijverheid, handel enz., ook tegenover den staat en de rechtsorde,, welke hij te handhaven heeft.

Deze rechtsorde sluit in eene booze wereld, al« waarin wij leven, in den uitersten nood ook het recht tot den oorlog in. Er is geen twijfel aan, dat dit recht door de overheden en machten in den loop der eeuwen op schrikkelijke wijze is misbruikt en in plaats van aan de handhaving van het recht, veeleer aan heerschzucht, machtsvermeerdering, gebiedsuitbreiding enz. is dienstbaar gemaakt. Het klein getal der rechtvaardige oorlogen tegenover de vele, die aan onheilige beweegredenen en doeleinden zijn toe te schrijven, moet ons nopen, om met inspanning van alle krachten voor een duurzamen vrede te werken. Maar toch neemt ten slotte het schromelijke misbruik het rechte gebruik van dit gevaarlijke wapen niet weg. Er kunnen voor een volk tijden aanbreken, waarin geen andere uitweg dan de oorlog overblijft. Als het in zijn bestaan bedreigd of in zijne vrijheid van godsdienst en geweten aangerand wordt, dan is het bieden van wederstand, tot op het slagveld toe, een goddelijk recht en een heilige plicht. De Regeering, die in zulk een geval hare onderdanen niet tot den strijd opriep, zou het bewijs leveren, dat zij onbekwaam was voor de taak, welke van Godswege haar toebetrouwd was. Want er zijn goederen, zedelijke en geestelijke goederen, welke meer waard zijn dan voorspoed, welvaart en vrede, en waarvoor men goed en bloed veil moet hebben. Al wordt de strijd zelfs niet met overwinning

Sluiten