Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de verhouding van polytheïsme en monotheïsme aangaat, is het niet zoo dat in den ouderen tijd het getal der goden toeneemt, en later zich tot enkelen samentrekt, maar omgekeerd : hoe verder men in de historie tecaggaat, hoe meer eene neiging naar het monotheïsme openbaar wordt. Hier geeft de Vergelijkende Godsdienstwetenschap dus steun aan de voorstelling der Schrift. Aan de andere zijde moeten we niet meenen dat al wat ons als monotheïseerende neigingen bij de volken wordt aangediend metterdaad even fraai is als het ons wordt voorgesteld. Wanneer één god boven alle andere verheven wordt is dit allerminst wijl men de realiteit der overige goden zou ontkennen; maar men heeft daarin öf met geheel persoonlijke voorkeur öf ook wel met een politiek prerogatief te doen. Wanneer de eene of andere stad aan politieke beteekenis wint, gaat daarmee de verheffing van de in die stad bizonder vereerde godheid gepaard. Vandaar ook het verschijnsel dat het niet steeds dezelfde godheid is, waaraan zulk een schijnbaar-monotheïstische voorkeur wordt gegeven. Zelfs bij Choen-Aton, die hen welke niet uitsluitend, zijn god aanbidden vervolgt, schijnt dit niet zoozeer voort te komen uit de religieuze overtuiging dat de overige goden geen ware goden zijn, maar meer uit een fanatisme dat door het verzet tegen zijn verheffing van Aton werd gewekt. Trouwens zijne vereering der zonneschijf zelve is, wel beschouwd, meer een philosophische abstractie, dan godsdienstige devotie. En reeds vóór hem hadden Egyptische priesters de oude goden-leer philosophisch omgewerkt. Het blijkt dus wel, dat van werkelijk monotheïsme buiten Israël in het geheel geen sprake is, en dat wat men als monotheïstische neigingen aanduidt ook nog niet ten volle op die benaming recht heeft; en er is derhalve zeker geen reden om op grond van de kennis die wij van de heidensche religies hebben verkregen, te bestrijden dat de belijdenis van den eenigen waren God die ons in de H. Schrift geboden wordt aan openbaring van dien God zelf zou te danken zijn. Zonder openbaring blijft het menschdom in allerlei verbastering van het ingeschapen Godsbesef hangen. Alleen Gods zelfmededeeling in Zijn Woord kan de ware kennisse van Hem schenken.

Eindelijk komen wij tot de Psalmen. Zoowel uit Egypte als — en dat in veel grooteren getale — uit Babel kent men religieuze liederen, die men gaarne met onze Psalmen

Sluiten