Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Intusschen bereikte Tolstoy met zijne anarchische schoolinrichting zulke goede resultaten, dat een der eerste opvoedkundigen van Rusland, die het volstrekt niet met hem eens was, E. Markof, destijds leeraar aan het gymnasium te Toela, in het openbaar erkende, dat de school van Jasnaja Poljanaalle, hem bekende volksscholen overtrof.

De 19de Februari 1861 is in de Russische geschiedenis de groote dag, waarop de lijfeigenschap werd opgeheven. Tot vrederechter benoemd, om de toewijzing van de stukken gronds aan de vrijverklaarde boeren te helpen regelen, heeft Tolstoy door zijn onkreukbare eerlijkheid den boeren onschatbare diensten bewezen, al haalde hij zich van de zijde der ouderwetsche landeigenaren daardoor veel haat op den hals. Hij bevond zich in Engeland, waar hij wederom verschillende scholen bezocht, toen hij het bericht van die benoeming ontving. Het vraagstuk van den eigendom beroerde Tolstoy toen reeds dermate, dat hij besloot, de terugreis te maken over Brussel, ten einde aldaar Proudhon te bezoeken, den man van het gevleugelde woord: „Eigendom is diefstal".

Ik kan den overmatigen invloed, dien Proudhons aphonsme op Tolstoy geoefend heeft, zoodat vele zijner oeconomische geschriften!), om zoo te zeggen, onder het motto „Eigendom is diefstal" geschreven zijn, niet anders verklaren dan door aan te nemen, dat Tolstoy zich steeds onder zijn eigen rijkdom te zéér bezwaard heeft gevoeld, om er ooit aan toe te komen, de wijsgeerige zwakheid van dat aphorisme te doordenken.

Maar Tolstoy overdreef Proudhon nog en verklaarde: „Eigendom is moord".

Met deze verklaring beging Tolstoy de fout, welke nij telkens maakte, welke hij óók maakte inzake het geslachtsleven, de fout namelijk, om iets dat voor hemzelven opging, geldend te achten voor iedereen. Voor zichzelven mocht Tolstoy zeggen: mijn eigendom is moord. Immers uit zijn eigen mond kon inen vernemen, dat Jasnaja Poljana in het bezit van zijne

1) Ik noem hier de werkjes, die in het Ned. zijn overgebracht onder de titels „Moderne slavernij" (1900), „Het geld" (1903) en Aan het arbeidende volk" (1903), alle drie destijds verschenen by de Drukkerij „Vrede .

Sluiten