Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Staat, öf er is geen Christendom" '). Het leven van den een is de dood van den ander.

Anarchist is Tolstoy, op grond van die beschouwing, zeer zeker; maar dan, zooals hij zichzelf noemt: „oerchristelijk anarchist".

Dat Tolstoy zijn „oerchristelijk anarchisme'' achterwaarts projecteerde over de gansche geschiedenis des Christendoms, heeft de Christenheid van hem te verdragen. Die projectie zij hem mijnentwege van harte gegund; doch ik meen haar niet te mogen toelaten over vóórchristelijke levensgebieden. Tolstoy is onbillijk, wanneer hij zijn doemvonnis uitstrekt over al de vorsten der oudheid. Ik, die zelf volkomen vrij ben van koningsgezindheid, mag hem hierover hard vallen. Onder de vorsten der oudheid moeten er geweest zijn, die in oprechtheid leidslieden en leeraren van hun volk waren 2). Ztrlk een vorst was ongetwijfeld de Boeddhistische keizer Asoka II Pijadasi, die van 270—233 v. C. in Indië regeerde.

Evenmin als het opgaat, te zeggen: „Timor fecit deos" („Vrees heeft de goden gemaakt"), zou het opgaan, indien men beweerde: Fraus fecit reges (Bedrog heeft de koningen gemaakt). Veel waars is er in het laatste gezegde, zooals er ook in het eerste gezegde veel waars is; maar een volstrekte waarheid mag men daarin niet uitgesproken vinden. En toch vat Tolstoy al de potentaten van het verleden onder één oordeel samen en doet het voorkomen, alsof zij allen zonder uitzondering hun troon te danken hadden aan „religieus bedrog" 3). .De „gratie Gods", die eene leugen is in het Christendom, kan eene waarheid geweest zijn voor het Heidendom.

Tolstoy heeft er onder moeten lijden, dat hij niet hoogelijk ingenomen was met de constitutie van 1907. Hij liet zich — zoo luidden zijn eigene woorden — geen politieke margarine in handen stoppen voor natuurboter. Uit Tolstoys koele ontvangst van de constitutie maakte men zelfs op, dat hij tegen elke vrijheidsbeweging gekant was. Maar God en God alléén is hem het uitgangspunt, om te komen tot sociale vrijheid.

1) „Staat und Kirche", S. 18.

2) Onwillekeurig denk ik daarbij aan de „herders der volken" naar de schoone voorstelling, welke Plato er van geeft in zijne „Politeia" („De Staat").

^-*) „Leo Tolstoi. Brief an einen Hindu", Waibel & Co., Heidelberg, 1910,

Sluiten