Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet altijd lièf te hebben kwaliteiten in onze stamverwante neven. Verwijt hen, vooral de Noordelijkste, les Prussiens, hun hard militairisme, het is mij wel. Ik vóel verder, vooral, in den „Duitscher", meer dan dat alleen. Ik voel in hem een oprechte, eene naïve, eene sentimenteele, tegelijk hooghartige en vooral tragische ziel. Ik voel in hem: het Ideaal. Als zij zingen, met hunne lichte oogen ten hemel: Deutschland über Alles...1 dan word ik geroerd, niet omdat ik dan mede wensch, dat Duitschland moge zegevieren over de wereld, maar om hun oprecht, naïef sentimenteel en hooghartig Ideaal. Een Ideaal, dat tragiesch zoü kunnen worden ...

Dit is voor mij de schoonheid in de Duitsche ziel. En om die schoonheid — vermoed ik — dat ik hen heden mijne toeschouwer-sympathie bied, met voorbij gaan van de Russen.

Ik wil deze sympathie echter niet beschouwd hebben als een onbreekbaar verbond. Ik hoü mij vrij, om morgen, als de Russen iets doen, dat mij meer emouveert dan wat de Duitschers deden tot nog toe, mij ne sympathie over te dragen van de Duitschers op de Russen. En met die veranderde sympathie te hospen, dat de Russische legers en vloot de Duitsche vernietigen zullen.

Ook die wensch zal bloedig zijn, maar ook die bloedige wensch, o lezer, kan nooit worden verweten, mij: Nutteloozen Toeschouwer.

Ook die wensch zal zijn bloedigheid alleen te wijten hebben aan de Algemeene Menschelijkheid, waartusschen ik daalde van mijne contemplatieve hoogte, om mij te verbroederen met u allen, tusschen wie ik, al toeschouwende, mijn weg zoek ...

Sluiten