Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooruit schijnt te zijn gegaan sedert Peloponezische of Punische oorlogen, die ik zoo gaarne bestudeer als „antiquiteit", en eene naïve verbazing mengt zich met mijn dichterlijken hoogmoed om de Menschheid, om de Wereld, die ik aanschouw. Dan moet ik ook wel besluiten, dat zij altijd zóo zal blijven als zij geweest is — hoe zij ook in schakeeringen van hare ziel moge veranderd zijn — altijd zal blijven de nijdige, barbaarsche Oer-Menschheid, wier volkeren tot aan het einde der wereld elkander zullen bestrijden, om de eenvoudige reden, dat er politie, justitie en allerlei autoriteiten staan boven u en mij — stel, dat wij elkander te lijf wilden gaan — maar dat boven de volkeren — zij mogen republieken gesticht hebben of monarchieën zijn gebleven — géene Autoriteit zichtbaar is, zelfs niet meer een middeneeuwsche Paus, die een interdikt kon uitzwaaien.

Ideeën zullen wel nooit autoriteit kunnen uitoefenen boven de volkeren der Menschheid, en zij zullen dus wel alijd blijven strijden om de suprematie over de Wereld, tot zij elkaar allen vernietigd hebben.

Ik haal dus mijn reine, zilveren, witte vanen binnen, en, mijn blik naar omlaag, Oordeel ik wat ik zag het minderwaardige schouwspel van de minderwaardigheid der Volkeren ...

Wat blijft er over van dezen hoogmoed, als ik gedaald ben omlaag?

Niets. Al die hoogmoed is dan verzwijmd. In de verbroedering, die ik poog te bestaan met de Algemeene Menschelijkheid om mij, doortrilt vooral het Medelijden. Het Medelijden om die zelfde Menschheid, die ik, tusschen de sterren, verachtte. Nu sta ik tusschen haar en al hare woedende hartstochten. Nu sta ik tusschen haar met een trillend lichaam en een trillende ziel. Wat ben ik klein en nutteloos tusschen die furieën! Wat ben ik? Een mensch dier zelfde Menschelijkheid, die ik heb durven verachten: een mensch wien het

Sluiten