Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de avondintimiteit is niet meer de mijne. Ik moét uit, tegen ure Veertien en Vijftien. Werken kan ik niet met deze uren, die altijd voor mij hadden iets schitterends, iets feestelijks: ik zie ze altijd in lage avondjaponnen. Wat zien ze er gehéél anders uit dan die vale spoken van morgenuren, wat geheel anders dan de streelende lieflijke schimmen der namiddaguren. Zij werpen het stofgoud om mij en zich rond. Zij lokken mij naar de zalen van het feest, naar de „tempels der kunst", al zijn die tempels niet altijd tempels en al is die kunst niet altijd kunst...

O hoe vreemd, o hoe vreemd! Mijn Uren, mijne laatste, zij worden hoe schitterender en schitterender! Ik bemin het late avondfeest, ik bemin het late avondmaal, ik bemin de feestelijke Nacht, die mij ongemerkt binnen leidt in den volgenden Dag, wiens droefgeestigheid ik mij nog niet bewust wordt. Ik ben de man van den avond en nacht der feestelijke schijnsels en schuimende wijnen, der een weinig geëxaspereerd tintelende conversatie, der gezellig mondaine gloriën, die zich besluiten in een paar warm kleurige salons, waarin, bij een prettig souper, de absolute doelloosheid ons bewust wordt dezen, met loome Uren aangevangen, Dag te eindigen en naar bed te gaan...

Sluiten