Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEMOORD OP DEN OPTIMIST.

Toen Rudolfje óp een goeden morgen tot zijn moeder zeide:

— Mama is het eigenlijk wel de moeite waard te leven ? ? was de goede vrouw, moeder van zeven kinderen, perplex en gevoelde zij, niet de wroeging, dat zij zoo veel „leven" het aanschijn gegeven had, maar wel de naïve verbouwereerdheid, dat haar jongste jongen — zeven jaar — zoo-een vreemde, filozofische, onoplosbare vraag stelde.

Wat zij antwoordde, was weinig interessant, maar het gesprek, dat zij dien avond met haar man — eerzamen ambtenaar bij de Posterijen — voerde, was de aanleiding tot zéér veel belangwekkends.

— Rudolfje is een vreemde jongen, zeide de ambtenaar bij de Posterijen. Al de andere kinderen zijn gewoon, maar zij njn allen veel ouder dan Rudolfje en Rudolfje is misschien wat alleen. Het is misschien voor overweging vatbaar kennis te maken met onze buren: daar is zoo een aardig, blond jongentje van den leeftijd van Rudolfje, en die heeft geen broertjes en zusjes; misschien, dat een speelkameraad Rudolfje goed zal doen.

Rudolfje maakte kennis met blonde Hansje en zij speelden samen in de Boschjes, te Scheveningen; zij bezochten uit louter vriendschap de zelfde scholen; zij

Brieven van den Nutteloozen Toeschouwer. 6

Sluiten