Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groeiden samen tot groote knapen op. Veel overeenstemming van karakter was er echter niet tusschen de beide jeugdige vrienden want als Rudolfje eens klaagde, dat het regende, zeide Hansje:

— Hé, dat vind ik nu net zoo héérlijk, dien regen te voelen in mijn gezicht 1

En toen Hansje een warmen zomerdag, terwijl de beide jongens op hunne fietsen een tocht deden door de Veluwe, bij de hei zich strekte in het gestoofde gras, zeide Rudolf:

— Ik haat die zon; ik ga liever naar huis; het is mij te warm.

Toch bleven de jongens vrienden, omdat zij naast elkaar woonden, omdat hunne ouders bevriend waren geworden, omdat zij van den zelfden leeftijd waren, omdat zij samen wandelden, fietsten en elkanders boeken lazen. En zij bleven ook vrienden omdat Hans heel veel van Rudolf was gaan houden, die een sombere jongen was maar een knappe kop, die Hans wel eens hielp met zijn werk, als dit hem te moeilijk was, zoo dat Hans dikwijls tot zijn ouders zeide:

— Rudolf heeft toch zoo een goed hart.

Nu was dit van Hans goed gezien; Rudolf had, behalve een knappen kop, een goed hart. Zoo goed zelfs, dat toen beide jongens — achttien jaar — verliefd werden op het zelfde meisje — hun eerste of tweede kalverliefde — Rudolf zich terug trok en Hans liet ageeren.

Maar Hans, die dit wel waardeerde, zeide tot Rudölf:

— Rudolf, het is heel mooi, dat jij niét met Marietje wil trouwen, weet je, om mij, maar eigenlijk, ach, vind ik alle meisjes, ten minste heel veel, mooi en aardig en ik had bést verliefd kunnen worden op Annaatje, als jij het door had willen zetten, met Marietje,

Dien middag wandelde Rudolf alleen in de duinen. En hij had het vreemde gevoel, dat zijne opoffering volstrekt onnoodig geweest was, omdat Hans zoo zonnig

Sluiten