Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erkend had, en er waarschijnlijk destijds geen vroeger gedateerd privilegie van Groningen bestond, dat zich tegen deze arbitraire grensregeling door den leenheer verzette. Wellicht was ook de beteekenis van de Eems als vaarwater voor Groningen zoo gering, dat de nieuwe regeling de Groningers destijds vrij koud het.

De Duitsche Staf, die zijn grenslijn wel niet zonder medeweten van de Duitsche Regeering zal getrokken hebben, kan zich nu beroepen op de grenstractaten van 1636,1700,1706 en 1723, waarin wel de grens in den Dollard duidelijk wordt aangegeven, maar over de Beneden-Eems met geen woord gerept wordt. Men kan dit opvatten als een stilzwijgend genoegen nemen met den toestand, zooals die door de Duitsche schrijvers in verband met het beweerde privilegie werd aangenomen.

Inderdaad mag men het niet minder dan onvoorzichtig noemen, dat onze Regeering dit punt destijds niet tot klaarheid heeft gebracht.

In 1799 was de Bataafsche Republiek als bondgenoote van Frankrijk in toestand van oorlog met Engeland, en kon dit land derhalve, waar het daartoe bij machte was, in open zee of op Hollandsen territoriaal water Hollandsche schepen tot goeden prijs verklaren. Wat het dan ook deed.

Zoo geschiedde het op den ï4den Juli ï.799 met een aantal van onze schepen, waaronder „De Twee Gebroeders".

Pruisen protesteerde, omdat de inbeslagneming in het Uithuizer Wad had plaats gevonden, en dit water, evenals de overige deelen van de Beneden-Eems, Pruisisch zeeterritoir was, i°. op grond van de reeds hierboven genoemde feodale investituur anno 1454, en 2°. omdat Groningen de souvereiniteit van Oost-Friesland over de Eems zou hebben erkend door het feit, dat Pruisen tot bij Rottum tonnen en bakens geplaatst had.

De prijsrechter, Sir W. Scott, erkende deze aanspraak niet. Vooreerst zeide hij: „Suppose this case, that an Imperia! grant did in the most express terms declare, that one of the maritime provinces of the empire" (in casu: Groningen) „should not have its natural extent of sea-jurisdiction, but that another province should possess it". Dit ware, met andere woorden, „a grant, which opposes all common principle, and which, coming from the general protector of the empire" (den Keizer) „deprives one province of its natural amplitude and means of defence". En verder

Sluiten