Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

merkte hij op, betredende de bébaksning en betonning: „The laying them" (n.1. de tonnen, enz.) „down, may be a sëryitus, and a burthen, or it may be neither; it may be only, that this is a navigation in which the city of Emden is much interested, and the Dutch comparatively little, and therefore are content to leave the care and expense .of it upon their neighbours".

Men zou, ter eenvoudige beoordeeling van de strekking van het bedoelde privilegie, de volgende huishoudelijke vergelijking kunnen trekken.

Twee buren, A en B, leven in vrede en vriendschap. Doch op zeker oogenblik ontstaat een verkoeling in de onderlinge verhouding. Nu laat opeens A zijn buurman B een oude acte zien, volgens welke hij recht heeft op een strook terrein vóór B's huis, en waardoor B zijn vrijen toegang tot de straat afgesneden ziet. B kan nu wel protesteeren, maar hij zit in z'n huis gevangen, en kan er alleen maar uit als hij de condities, die A gelieft te stellen aan het gebruiken van zijn grond als overweg, aanvaardt. B. schikt zich in het onvermijdelijke, vertrouwende op de onaantastbaarheid der oude acte en makes the best of it. Maar, de verkoeling slaat over tot formeele vijandschap, en thans loopt B naar een deskundige. A wordt gesommeerd zijn acte te produceeren, en dit geschiedt. De acte blijkt echter vervalscht te zijn, in zooverre er iets in staat, dat in het origineel, in het gemeente archief bewaard, niet te vinden is. De deskundige zegt evenwel tot B: zelfs indien de oude acte niet vervalscht ware, dan had A nog niet het recht U in Uw huis op te sluiten; hij was verplicht U in ieder geval vrije verbinding met de straat te geven.

Iets dergelijks heeft er plaats ter zake de Eemskwestie.

Prof. Niermeyer deed hierover in de Telegraaf van 17 Juli 1917, avondblad, belangrijke mededeelingen (zie zijn artikel, aan het slot van dit opstel als bijlage II afgedrukt). Men leest daar, dat Dr. Acker Stratingh, historisch geograaf, zich omstreeks 1880 gewend heeft tot de Koninklijke Hannoveraansche Landdrostij te Aurich, met verzoek om in het Provinciaal Archief aldaar, waar die leenbrieven bewaard worden, deze op dit punt na te zien. Het stellige antwoord, bereidwillig gegeven, was, dat voorzeide woorden (zie den hierop betrekking hebbenden tekst op blz. 6) niet in de oorspronkelijke leenbrieven te lezen staan. De oudste tekst, die de vervalsching bevat, is — zoover bekend —> een zonder opgaaf van samensteller, uitgever, drukker en plaats van uitgave in 1610 verschenen verzameling.

Sluiten