Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XI

MEVROUW Schennema zat stom van verbazing. Van haar, van haar was een kind gestorven. Een kind? Zoo had ze Rini nooit aangevoeld. Een kind? Toen Rini klein was, was zij nog te jong, neen, voelde ze nog te jong om te beseffen, hoeveel teederheid zoo'n klein menschje behoefde, hoeveel van haar overtolligen levensdrang ze zou kunnen uitstorten over dat kleine leven, dat was van haar zelf. En later? Later was Rini voor haar geweest als een vreemde, waarvan de menschen zeiden, dat het haar kind was, maar gevoeld had ze dat nooit. En nu was ze dood. Rini was dood. Nu moest ze toch voelen, maar het wilde niet. Den avond tevoren was ze geroepen, 't Was in eens gekomen, een pleuris, brutaal en acuut, een infectie, die er bij kwam. De juffrouw, die met haar woonde, had een rijtuig gestuurd. De oude meid had lang getalmd, eer ze open gedaan had: „Je kon nooit weten."

En eindelijk, na wel twintig minuten overleg, vond ze toch, dat Mevrouw dan in Godsnaam maar gestoord moest worden, hoewel voor juffrouw Rini —' je kon nooit weten, die had altijd wat anders dan de andere menschen ...

Eer zij toen, hchtelijk doof, wakker was, had 't weer een tijd geduurd.

Sluiten