Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lang. Eindelijk kwam Trui en vertrouwelijk zei ze:

,,'t Is Van Weele". „Zoo", zei ze, als in een droom, hoewel ze hem verwachtte.

„Zal ik Mijnheer binnen laten?"

Maar Van Weele stond al daar, lang, slank en zwijgend. Zijne oogen waren als gouden tangen, die grepen naar verre verstolen dingen. Altijd had ze angst voor die oogen gehad. Ook nu bleef ze staan, als gefascineerd en in haar rees als berouw, dat ze dezen mensch gevraagd had te komen.

„Ik zal maar niet condoleeren", zei hij zacht, maar 't was haar, of plots de vloek van haar niet echt moeder-zijn op haar viel. Toch nam ze zijn hand. Hij keek haar recht in de oogen en, zooals we ons voorstellen den grooten rechter te zien op den jongsten dag, zóó stond hij voor haar.

„Kom", zei hij, half cynisch, half troostend, „Rini en u, wat had u met elkaar gemeen?" Zij voelde het als een verwijt.

„Is dat mijn schuld?" vroeg ze.

„Schuld", zei hij, „wie denkt er nu aan schuld? Er zijn alleen menschen en die scheppen verhoudingen. Schuld is een wóórd. Het begrip daarvan is als een groot en somber raadsel."

Toen zeiden ze langen tijd niets meer. Eindelijk stond hij op en ging de gang in. Ze wist, dat hij nu naar haar wilde en hoe boos hij zou zijn, als Truitje hem zeggen zou, dat Rini niet thuis was. Maar

Sluiten