Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog één blik... dan ging ze naar beneden.

Op 't terras liep Van Weele heen en weer. Hij wist al, dat de moeder uit was en was erg verwonderd over het toch ontvangen worden. Ook weer niet, omdat hij wel ongeveer berekend had den indruk, dien hij gemaakt had, maar toch: iri zijn eigen kringen een zóó los zijn van conventie deed hem onaangenaam aan.

Toch was het ergste, wat hem had kunnen overkomen: weggestuurd te worden...

Als ze hem de deur nu eens had gewezen? Want dat was zoo'n „belet" dan toch geweest. Het leek hem, of hij het nu wenschte.

Als ze dat gedaan had, had hij minder goed geweten, of ze oprecht was of niet—maar hij zou zoo woedend verlangd hebben: dat pijnlijke, schrijnende, heerlijke verlangen en dat ontnam ze hem nu. Hij liep op en neer en keek den tuin in.

De hooge bruine beuken stonden onbewegelijk, pen loome zwoelte hing over den verren vijver en de geur, die opsteeg uit de bloemen van den tuin, was zwaar en bedwelmend. Onweerskoppen stonden als witte dieren in de strakke blauwe lucht.

VanWeele onderging de stemming van al dat zware en zwoele en nu speculeerde hij niet meer op verlangens, die hij later gekoesterd zou hebben. Opeens haatte hij haar lang wegblijven, had hij behoefte haar weer te zien, zich er rekenschap van

11 Magda.

Sluiten