Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lukkig vredig leven met elkaar, totdat die wreede oorlog losbrande.

Babette.

Ja jongen, het karretje van je vader was altijd over een zandweg gegaan, 't was hun in alles meegeloopen, tot in eens kwam de oorlogsramp. Jij moest weg, de zaken van je vader liepen spaak. Zijn molen hebben ze, die onverlaten, in brand gestoken. Dat was te veel voor dien armen Rubert; van verdriet is hij gestorven, en je moeder heeft hem niet lang overleeft. Die twee konden mekaar niet missen.

Geert (staat op.)

'tls vreeselijk! Hé, ik kan niets tegen zulke narigheid. Zeker niets voor me te verdienen vandaag,

moeder Babette? Dan ga ik maar weer (opstaand.)

Och, och, wat worden me de beenen stijf en stram. Dag Jules, sterkte in je verdriet. Dag samen. Babette.

Dag Geertemoei.' (Geert af.)

Veertiende YsoneeS.

Rosalie /medelijdend./ Och, och, arme jongen! Wat is zoo'n oorlog toch afschuwelijk. Zie je, ik heb eens gelezen »De Negerhut van Oom Tom«. Wat was dat mooi. Ze zeggen dat door dit boek de slavernij is afgeschaft geworden. Maar wie schrijft er nu eens een boek, dat aan den

oorlog een einde komt o, dat ware te wenschen.

Babette. En wat ga je nu doen, Jules?

Sluiten