Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan kunnen jelui elkander tot troost en steun zijn vooral in de moeilijke dagen, die we nog zeker zullen krijgen.

Jules (berustend). Ik wil wel blijven, mijnheer de Pastoor! Ik deug toch nergens voor met m'n eene oog en lamme vlerk. Hier kan ik nog nuttig zijn, ten minste, voor zoover een arme verminkte als ik, zich nog....

Pastoor (valt hem in de rede).

Stil, je moogt zoo niet spreken, Jules! Bedenk, dat er met jou honderden, neen duizenden zijn teruggekeerd. Maar het had nog erger kunnen wezen. Zooeven was ik bij vrouw Daalemans op »Zonheuvel«. Ach, dat kon daar wel «Smartheuvela heeten. Haar man, blind geworden door een granaatsplinter. Alles was er al aan gedaan, helaas vruchteloos, voor altoos moet hij het licht zijner oogen missen. De kinderen riepen in onschuld, toen hij werd thuis gebracht: «Vader, zie eens, wat prachtig boek Annie heeft.a Helaas, de arme blinde, voor hem is het voortaan altijd nacht. Zijn kinderen, waarvan de jongste tijdens den oorlog is geboren, kan hij nooit eens zien. »Maar«, zei hij mij zoo straks, »ik ben toch weer bij hen terug, kan toch hün stemmen hooren.«

Jules.

Vreeselijk en bij Van Duyn, mijnheer de Pastoor, hoe is het daar gesteld?

Pastoor.

Treurig, hoogst treurig. Vier zoons in den krijg. Twee gedood, de anderen verminkt. Willem, zijn kakement is verbrijzeld, afschuwelijk om aan te zien. En Jef zit met één been, het andere is weg-

Sluiten