Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN OWEJER OVER TIEN JAAR

Als de oorlog is geleden,

Is er, na een jaar of tien,

In de nachtgelegenheden

Geen owejer meer te zien.

Als de oorlog is vergeten,

Kennen we geen afgunst meer,

En de pochende owejer

Is een deftige owejer

Is een deftige meneer.

Zomers zit hij op zijn buiten,

's Winters woont hij in de stad,

Net als of hij heel zijn leven, ■

Dik op in de duiten zat.

Opa, die met kachelhoutjes

En met nootjes-kolen liep,

Kuiert als een renteniertje

Van het doodgewone tiep.

Vroeger dronk hij alebesseu

In een drangelegenheid,

Over tien jaar neemt hij sherry

Op de heeren-sociëteit.

Opoe, die geen Kerk verzuimde,

Zit nu in de Opera,

Vroeger heette ze: „De kromme",

Over tien jaar: „Grootmama".

Liezebet, de oudste dochter,

Die een maand gezeten had,

Wegens rauzen met een diender,

Tuft dan haastig door de stad.

Vroeger vree ze met 'n jopper,

Die haar gappen had geleerd,

Over tien jaar heet ze Betsie,

En is net geëngageerd.

„Kijk hoe keurig of. ze krokket",

„Gut, ze is zoo intressant,"

„Heelemaal geen mésailliance!"

Zegt de Ma van haar galant.

Pa, die vroeger katten mepte,

Is er bovenop geraakt,

In pantoffels en augurken,

Heeft hij 'n miUioen gemaakt.

Luitjes, die hem nu negeeren

En gesteld zijn op hun stand,

Sluiten