Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„DE PROFEET".

Voor de bulleüjns der kranten, Staat de petten-redenaar; Met zijn Tweede-Kamer woorden, Zet hij alles uit elkaar. Rond hem, met gebogen hoofden, Staan de menschen van de straat, Die van hem eens willen hoor en: Waar de oorlog uit bestaat. Telkens na een poosje praten, Wordt er slim 'n vraag gedaan. Ernstig zegt hij dan zijn antwoord, En ziet niemand daarbij aan. Nimmer noemt hij Duitschers helden, Van de Franschen spreekt hij goed, En die Engelschen zijn jongens, Waar je bang voor wezen moet. En terwijl hij kalm zijn peukje, In zijn glazen pijpje steekt, Wachten al zijn stille hoorders, Tot hij rustig verder spreekt. Alles weet hij van die zaken: Wat de fijne knepen zijn. Dinsdags woont zijn oom in Londen, Zondags komt hij uit Berlijn. Met gevaarlijke spionnen, Gaat hij heel voorzichtig om, Wat voor geld ze hem ook bieden, Hij blijft altijd even stom. Van een tante'van een kennis, Van de melkboer van Loudon, Kwam hij onlangs nog te weten, Waarom of de boel begon. Laatst nog met den Burgemeester,

Stond hij achter op de trem

Dat vertrouwelijke groetje, En die knipoog was voor hem. In zijn borstzak heeft hij kranten, In 't Engelsch en 't Fransch; Somtijds staat hij voor te lezen, Uit 'n blad in 't Japansch. En de aangenaamste woorden, Waar men hem mee vielen kon, Zijn, wanneer ze van hem zeggen,

Sluiten