Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VROUW VAN DEN OWEJER!

Twintig harde, lange jaren,

Was ze mei haar man getrouwd,

Armoe had ze mee-geleden,

Dag en nacht maar door gesjouwd,

Voor haar boeltje en de kinders

Had ze steeds haar best gedaan,

Met de zware groentenwagen

Had ze op de markt gestaan.

Nu hij door zijn oorlogswinsten Millionair geworden was, Nu hij eiken dag ging baden, En met reuk liep op zijn jas, Nu ze op een villa woonde, En met knechts en meiden zat, Kwam een ouwe kennis zeggen, Dat haar man een juffie had.

Nu de kinderen zich schaamden, Voor zoo'n burgerlijke vrouw, Die geen zij en bont dorst dragen, En niet in een auto wou, Nu ze om haar rare woorden, Wel eens standjes van ze kreeg, Moest ze, om eens wat te praten, Naar de ouwe, muffe steeg.

Altijd werd ze uitgelachen, Als ze in de keuken kwam. Als ze zelf het koper poetste, Of wat kachelhoutfes nam. Voor de deur mocht ze niet praten, In haar wollen huisjapon, Als haar zuster op kwam loopen, Dorst ze niet in haar salon.

Op 'n dag was er visite, Fijne vrinden van haar man, Met een mondje vreemde woorden, Spraken ze haar spottend an. potverdorie!" riep ze vloekend, Met de duivel in haar lijf, „Leg me niet te koefeneeren," „Ik ben maar 'n groentenwijfP'

Sluiten