Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARIE KLEIN

DE TWEEDE-KAMER-WEDUWNAAR

Sinds mijn vrouw 't Land girig dienen,

Ben ik, uit respect voor haar,

En voor 't welzijn van de Natie,

Tweede-Kamer-weduwnaar.

Zaterdags dan wipt ze over,

Met haar dikke actentasch,

Om een motie uit te werken

En een beetje schoone wasch.

Zeer welwillend en bescheiden,

Haal ik haar dan van den trein.

En dan zegt ze niet: „Dag Arie!"

Maar: „Hoe vaar je, beste Klein?"

Ernstig pratend gaan we huiswaarts,

Net alsof ik haar niet ken,

Of ik met een vreemde dame,

Op een avontuurtje ben.

Al de vrinden en bekenden,

Groeten deftig langs de straat,

En ik voel me als een jongen,

Die met Ma naar huis toe gaat.

Zondags komt ze, na den arbeid,

Soms een uurtje naar benee,

Eii dan zit ik op visite,

Als een keurige logee.

Als ze dan gaat debatteeren,

Zit ik er armzielig bij,

Want ik heb wel eens vergeten,

Wat ze in de Kamer zei.

Maandags blijf ik weer alleenig, In een soort van hechtenis, Met een juffrouw van gezelschap, Die voor mij gewaarschuwd is.

In 't begin vond ik 't aardig, Vrootijk trok ik naar de soos, Als ik dan wat laat naar huis kwam, Was er niemand op me boos. Maar nu dat zoo lang gaat duren, Krijg ik heimwee naar mijn vrouw,

Sluiten