Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duikelend waren ze omlaag gezweefd op den vochtigen, zwarten grond; dor en kaal was hij blijven staan in de korte, koude dagen met hoogstens wat koelen zonneschijn en lange, kille nachten. Tot de lente kwam.

Tot de zachtheid van herinnering de ijzige hardheid van zijn dood bestaan verwarmde. Tot hij nadacht en las en inzag, inzag op een keer, wat hij zoo lang had vergeten, roekeloos verlaten.

Buiten lagen land en wegen onder een witten nevel, dien avond.

Van uit zijn raam zag hij hem aansluipen achter het bosch, op de groote, zwarte stammen aan, welke stonden te wachten, oud en sterk, in den gouden, den bonten tooi van hun komenden dood. Ademloos stil stonden ze, als iemand, die weet dat hij in gevaar verkeert, dat het hem nadert, besluipt, die het dreigend dichtbij voelt en beseft hoe nutteloos het is te weerstaan.

Hij had den avond met zijn schemering lief.

Hij liet de stilte binnen door het open raam.

Koel was de avondlucht en zwaar van harde geuren.

Als kinderen, leunend aan een open venster, de kin geleund op de hand, de oogen omhoog naar den hemel, zaten zijn gedachten te turen naar wijde verten, zwijgend, ernstig. Hij liet ze, wilde ze niet storen met dwingende stem, wijl het tijd werd van slapen.

Hij hield van den avond met de schemering, van den herfst met zijn forsche tinten.

Sluiten