Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De mooie vrijheid, die zijn studies meebrachten, maakte een eind aan alles wat hij eerbiedig had vastgehouden in zijn jonge jaren, onbewust wel, maar toch ook zonder leed.

Graag kwam hij naar dat nieuwe bestaan en toch huiverend, want al streelde de dwaling zijn hoogmoed en zijn begeeren, al liet ze hem vrije keus zijn eigen weg te gaan in doen en laten zonder veel verwijt, toch voelde hij zich zoo weinig voldaan.

't Was het ongewone, zeker, zoo dacht hij. Hij moest zich nog aan die levenshouding wennen, nog meer vergeten van 't Verleden of beter dat nog met natuurlijke oogen aanzien, — ja niet hulpeloos er zich van afkeeren uit vrees, maar moedig kijken, kijken en oordeelen, zelf, wat een onnoozele hij vroeger geweest was.

Maar waarom voelde hij zich dan zoo overladen, bedolven onder al wat hij wilde en als geluk en genot geroemd werd, — en waarom drong die levenswarmte en die levensbloei niet tot binnen in zijn wezen door, en sloeg daar een witten en rooden Mei los uit de dorre takken en struiken! 't Was toch lente nu! .

Hij schreef, — hij werkte veel, heel wat meer dan hij ooit gedaan had. Het scheen hem toe, dat hij vooruitging en ze prezen zijn werk als vol van beloften.

Hij gaf zich zelf, zijn woelen en wringen, zijn begeeren en haten in zijn werk, — dat kon immers niet anders, mocht ook niet!

Hij trachtte een heiligenschijn te doen stralen om het kwaad, om hetgeen men zoo noemde.

Sluiten