Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lippen. En een groot medelijden voelde ze toen groeien in haar ruime hart, dat alles had verlaten, om alles te kunnen zijn.

„Ben je zoo bedroefd, moeder?"... Toe, schrei nu maar eens flink uit!"... en ze droogde de tranen van het magere gelaat, dat zich in vertrouwen tot haar keerde. Ze nam de toegestoken hand, en knielde neer naast dat witte bed. En toen hoorde zij 't verhaal van een leed dat ze niet kende dan bij naam, dat ze niet begreep in heel den wijden omvang, maar dat pijn moest doen, wijl een moeder er zóó om moest schreien!

Geen woorden vond ze in haar verwondering, hoe een moeder de geheimen van haar teerste leven openlei voor haar schuchtere, zwijgende ziel, die wel voelde, dat het erg moest zijn, maar niet het heldere besef had van de ellende, die rondsloop en kreunde, ginds in de wereld, waar 't nu nacht was. Altijd was het haar een ginds gebleven, — een verre plaats, die ze nooit zou bereiken, die buiten den kring lag van haar open, reine leven, waarboven een zacht, streelend licht stond, niet het scherpe, schitterende, dat de oogen pijn doet. En daar rondom had zij 't altijd aangezien voor een diepe ruimte van donkerte, waaruit tot haar opstegen angstige klachten van smart of gesmoorde kreten van leed...

Stil en blij luisterde ze, want nu begreep ze veel van die slapelooze, opschrikkende nachten, en die zwijgende gelaten dagen: 't zou immers kalmte brengen en genezing wellicht. Ze hoorde 't: die man, die vader was slecht!..-

Sluiten