Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jongsaf had leeren beschouwen als zijn geloof; want dat was niets, — dat was een willekeurige houding, een onvast en onzeker gegeven, hoe dieper hij het nadacht. Daar was niemand, die hem grooteren troost kon geven dan 't onzalige: „leer daarmee tevreden zijn, daar zijn duizenden, die het er mee doen." Men had hem niet begrepen, daarom met zijn zoeken gespot; ze vonden het pedant. Maar hadden zij dan geen gevoel ? Waren zij dan rustig, kalm, voldaan? Zagen ze klaar in de ontzettende vragen van het bestaan, het eenige? O, dan de dominee, die hem wijselijk toesprak te zoeken, te zoeken,... maar toch weer een pijn bij de andere smarten, want kon ook hij dan geen steun, geen sterkte, geen bestendige rust brengen aan zijn ziel, hij die toch zoo hoog stond en jaren lang zich had voorbereid op de leiding der geloovigen? Zoo den dood in! Zonder ooit te weten, waarom? Was dan alles dood in 't leven? al het schoone, al het heerlijke, dood en koud als een steen? Zoo had Sjef hem hooren klagen; een jammeren leek het, om zijn ellende.

En daar was nog een andere, aanlokkelijke zijde voor hem aan den omgang met dien ongeloovigen jongen, die spoedig de grootste bekoring leek. Misschien een nog meer aangename dan de andere, die uit beider toestand voortkwam, doch die hij zich nog niet bewust was.

Hun meer intieme omgang was begonnen bij den dood van Sjef's vader, toen de hulpelooze Henk, geschokt door het onverwacht gebeuren, en op een onverklaarbare wijze plotseling aangegrepen door een hevige onrust,

Sluiten