Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En hij: „Best moe!... Wat kan dat ding toch aardig praten! Zoo'n kind als het nog is. En lachen als ze kan!... Die heeft heelemaal geen zorgen over geloof of zoo iets, dunkt me... En 't zijn toch wat beste maatjes: Henk en zij... U kunt er ook nog al mee bezig blijven, is niet ?..., En ze houdt zoo veel van u!... Wil ik eens verklappen, wat ze van u zegt ?...

Lachend, ondeugend als een blijde jongen, zag hij zijn moeder aan. 't Werd allemaal in eenen door, zonder erg gezegd, maar die geestdrift maakte haar wantrouwen weer wakker.

— 't Is een heel goed kind, zei ze koel. Erg oppervlakkig... Als die in het groote leven komt!...

Verwijtend dacht ze al aan haar plicht van waarschuwen, waaraan ze te kort gekomen was. Maar ze suste haar dwaze bezorgdheid: Och, wie weet! misschien had hij er heelemaal niets mee bedoeld, zag ze wat donker, als moeder. En als ze hem door haar domheid eens op het idee bracht! Dan had ze zich nog veel erger te beschuldigen, 't Was immers zoo terloops gegaan. Ja, had zij niets gevraagd, dan zou er geen woord over gesproken zijn, evenmin als anders. Het lag aan haar! Ze moest ook zoo achterdochtig en onvoorzichtig niet zijn. Ja, als hij niet goed oppaste, zooals... die andere... Daar hadden ze al gauw niets meer aan kunnen doen; al hun vermaningen, bedreigingen waren vergeefs geweest... Maar hem kon ze vertrouwen...

Dat nu die verloren zoon haar weer in den geest kwam.

4

Sluiten