Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar stond, neen daar ging een groote man met wijde schreden, en waadde door een driftigen, bijna blauwen, wit-gekuifden stroom; zoo zou men gezworen hebben, want treffend-duidelijk was zijn lastige, moede, maar voortgaande stap te merken in heel zijn houding.

Een reus was hij. Een groote en grove, ver boven de menschenmaat uit. Op zijn schouders droeg hij voorzichtig een kindeke. Maar met zoo een vreemden, bangen en toch ook eerbiedvollen blik keek hij schuw naar zijn schouder, waar veilig en gerust dat knaapje zat te lachen, één klein handje om zijn harigen hals, en met het andere woelend in het kroezelig haar van den forschen drager. Zoo diep, zoo geheimzinnig zag dat kindeke hem in de oogen, dat hij wel moest blijven kijken van verbazing en verwonderd nadenken over een diep geheim.

Het leek zoo'n zware last! Hoe hing die linkerschouder scheef! Kon dat kleine wicht zoo lastig wegen op zoo'n sterken man? Honderd, tweehonderd ponden en nog meer moest zóó een kunnen tillen met gemak, en 't kindje scheen zoo licht, zoo klein en fijn, niet zwaarder dan elk spelend kind van vijf, zes jaar. Goed, dat hij zijn zwaren dennenstam als stok had meegenomen, want men kon het aan zijn knieën zien: hij werd moe. En velen dachten en vroegen: „Wie is die grove man, wie dat lieve kind ? Wat moeten zij beduiden daar op den breeden muur, waar allen naar ze moeten zien ?"

Zoo staat er in 't oude boek. Een mooi verhaal.

Veel jaren her, en ver, héél ver van hier, leefden twee

Sluiten