Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wel zeven dagen liep hij met groote schreden door eenzame, vlakke landen en donkere wouden. Hij at van de kruiden die hij vond en dronk het water uit de sloten. Maar weinig uren sliep hij, op den blooten grond.

Op een avond kwam hij in een donker bosch. Daar stónden hooge, donkere, grove mastenstammen, met zware takken vol harde naalden. Daaronder was het dichtbegroeid met doornige acacia's en knoestig eiken-kreupelhout. Woekerplanten slingerden er door heen en maakten alles tot een ondoordringbaar oord.

Maar was hij bang? Hij stapte dapper het smalle, kronkelende pad op. Zoo liep hij lang, tusschen de donkere hagen van wildgroeiend hout, onder den donkeren hemel van takken boven zijn hoofd. Daar zag hij ver vooruit een roode glanzing, als die staat in den nacht boven een doovenden brand. Snel stapte hij voort en kwam op een open plaats, waar de roode vlammenschijn hing, hoog boven de boomen. Alle paden van het bosch kronkelden naar die ruimte en hun ingangen gaapten zwart van donkerte naar dien rooden gloed. En in dien glans zag hij mannen en paarden, zwarte mannen met zwarte paarden, en een roode schijn lag op hun hoofden en schouders, op de koppen en ruggen der paarden, en op de uitgestoken handen en armen. Kolen vuur leken wel de oogen van paarden en mannen. Eén stond er in 't midden; grooter was hij, grooter zijn paard; donkerder rood lag op zijn hoofd en schouders te branden, lag op den kop van zijn ros; feller vonkte het vuur in zijn oogen.

Sluiten