Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Gij spreekt nog dwaas: lijden is bidden en lijden is boete. Lijden moet ge voor alles, wat ge misdeedt."

— Den sterkste zal ik dienen, het kruis, zijn koning. Wat kan ik doen, ik arme, onwetende. Geef mij een zwaarder gebod.

— Dan moet ge gaan! Ginds, drie dagen ver, daar zult ge 't klaterend vallen van water hoóren, van rots op rots, daar zult ge staan voor een sterken, wilden stroom. Velen komen er om: ze zijn te zwak dien stroom te doorwaden. Gij zijt sterk. Bouw daar van takken en leem een hut, voed u met wortelen en wilde vruchten, lesch uwen dorst met water uit den stroom. En wacht geduldig, dag en nacht op ieder, die daar komt. Ga dan gelaten en draag ze, zonder klagen, over het water heen. Doe dat voor 't heilig kruis, *t is bidden en boeten. Eens zal dan uw koning komen en u roepen, zoo ge zijt een trouwe knecht.

— Vader, ik ga!" Hij knielde, voelde de hand van den kluizenaar op zijn hoofd, maakte het teeken des kruises en ging. Van takken en leem bouwde hij een arme hut, hij at de wortelen, die hij vond, hij dronk het koele water uit den stroom.

Hij trok een jongen spar uit den grond, brak er de wortels met stukken af, liet in den top wat kleine takjes staan als een pluim, en waadde langzaam, tastend, door den snellen stroom, zoekend een veiligen weg. Al wie daar kwamen droeg hij naar den anderen kant. Dit deed hij jaar en dag en diende het kruis en diende zijn koning, die daar eens komen zou en roepen over het luide, bruischende

Sluiten