Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vierkante glas blonken de vergulde krullen in de hoeken, die vrijgelaten waren door de ronde wijzerplaat. Glimmend hingen de koperen gewichten, laag en zwaar aan hun blinkende koperen kettingen. En de slinger ging gedwee op en neer, heen en terug, zonder drift en zonder spijt, alsof het zoo moest, niet anders kon gaan op de wereld.

Het was ook al zoo'n oude klok. Waarover zou ze zich ook mistroostig, of angstig maken. Ze wist immers wel, al haperde er den laatsten tijd soms wel eens een beetje aan gang of slag, dat ze altijd zoo'n goedige behandeling vond, ze zouden haar niet voor oud-vuil weggooien in een hoek op zolder. Ze wordt al zoo oud, zei het vrouwtje daar dan, ze heeft al zooveel jaren goed gegaan, we zullen het er nog best mee doen. En zelf kenden ze haar ook het beste. Vreemden mochten er niet aankomen. Als ze dan na een dag van stilte weer haar gewone getik en getjing begon, was er iets eigenaardigs in huis, iets dat goed deed, dat mekaar blij deed aanzien en zeggen: als de klok stil staat, is 't juist of er iemand ziek is in huis; dan ontbreekt er iets aan de gewone omgeving. Ze was een geworden met die haar kenden. Geen wonder! Wat had ze al niet meegemaakt! Zooveel had ze zien komen, zooveel zien gaan. Daar waren zoo veel dingen gebeurd, waar ze bij geweest was. Ze had de uren, de lange, langzame uren geteld van verdriet en het was haar zelf geweest of haar tellende stem zoo fel en scherp had geklonken in het droevig-stille vertrek: dat

Sluiten