Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoog er boven uit een gillende sirene. Langzaam, een voor een, lieten ze alle zich hooren. Zooals iederen morgen was ze tegen tijd aan de fabriek. Aan beide kanten van de open-gapende poort zaten werklui gehurkt, groepen meisjes stonden te gekken en te praten. Stien ging i do™, nep een woord, knikte en groette, zonder te letten op een los gezegde van mannen en jongens, dat anderen deed grinneken van lachen: ze waren d'r zoo aan gewoon, dat ze er niet eens meer op letten. De stoomfluit ging. Ze nam haar hoogen werkschort, deed haar lage klompjes aan, maakte een kruis. Op de pakkamer begon het werk. Uit de werkplaatsen kwam de ronkende gonzing van walsen en raderen. Christien was nog jong, drie en twintig pas, het troetelkindje thuis, moeders lieveling. Ze was levenslustig, deed neuriënd haar werk meestal, en zong dapper mee met de andere meisjes, want het kon er lustig naar toe gaan. Voor haar ging ook het leven zijn gemoedelijken gang. Des morgens altijd op denzelfden tijd, tien minuten voor zes, ging ze van huis, liet moeder daar boven, den smallen, zindelijken trap op, alleen. Blij, dat die weer beter was. Een tijdlang had ze dat goede oudje moeten oppassen, 't Was wel wat druk geweest: de H. Mis des morgens was er een poosje bij ingeschoten. Nu kon ze onderhand daarmee weer beginnen. Ze woonden niet rijk: in een onzindelijk straatje, niet geplaveid, met hier en daar een huis, uit jaren her. Wat verderop, aan den anderen kant hadden ze een hooge rij, vierkante blokken van woningen gezet, lichtroodige, strakke gevaarten, die

Sluiten