Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze bad. Zuigend zoefde de deur open, viel zachtploffend dicht. Op den zandigen vloer kraakten voetstappen. Een stoel schoof piepend vooruit. Een rozenkrans tikte op het houten blad van een bidstoel. Bijna onbewegelijk zat Christien, altijd de oogen gevestigd op het tabernakel: daar woonde de Meester. Ze wist wel, dat fit nog meer zaten. Eiken avond kwamen er, meestal dezelfden. Zij had dat bezoek zoo noodig, voelde er een groote behoefte aan. Niet altijd was dat bij haar zoo geweest. Ook zij had tijden gekend, dat ze juist deed als de meesten: onnadenkend, lichtzinnig, meer dwaas dan kwaad was ze dag in dag uit gegaan. Maar het was haar zoo levenloos gaan worden op den duur. Strijd had haar gebracht tot een zoeken naar innerlijke kracht. Moeite met haar zelf had haar de toevlucht doen nemen tot een ernstiger leven.

Hoe dat haar zoo duidelijk was geworden, kon ze zich niet goed meer herinneren; meer een innerlijk er toe gedwongen worden, dan een redeneering was het geweest. Soms voelde ze zich hevig aangespoord daarvoor God te danken als voor een groote genade, wijl ze een huiverig-makend kwaad ontkomen was. Dit wist ze nog: ze had op het werk eens een meisje uit hooren komen voor haar overtuiging, waar een andere mee gespot had. *t Was geen fijne geweest, maar moedig had zij ze zien staan. Die houding vond ze mooi; edel was het op te komen voor hetgeen men als heilig hoog hield. Vreemd! dienzelfden avond na dat geruzie zag ze dat kind de kerk

Sluiten