Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lachen met haar plannen en zeggen: „en moeder dan?" Ja, moeder, als die het goed vond zou het altijd nog tijd genoeg wezen er verder over te praten. Anders ging het toch niet. En weer bleef ze hangen op het idee: moeder. Het was het middelpunt van haar denken, willen of weigeren lag in haar hand. Als ze *t maar eens deed! Hoe dikwijls was ze in onbedachte oogenblikken zoo bezig met zich zelf, had ze al die denkerijen lachend weggeworpen, haar eenvoudigen plicht gedaan, maar het kwam terug, ze verraste er zich zelf mee. Als ze 't toch maar eens deed, dan was ze er van af. Voor goed er van af, dat wist ze zeker. Hoe meer ze zich getrokken voelde aan haar verlangen toe te geven, hoe meer ook ze dat meedeelen, dat vragen aan haar moeder moedwillig leerde zien, als een welkom middel om een eind te maken aan al die gedachten. Een treitering van haar zelf, leek het. Een pijniging, een marteling, die ze niet graag leed, maar wilde, maar moest en zou ondergaan. Tot ze eindelijk besloot: „er op of er onder, Zondag zou ze 't zeggen. Dan was 't ook zeker uit!" Het had een verlichting voor haar moeten zijn, maar 't werd een vrees. Ze voelde, hoe de moed er toe haar ontzonk; ze huiverde heimelijk om dat besluit, want, wat ze verlangde, wat ze zeker verwachtte, dat het nu maar af geloopen zou zijn, scheen weer te worden teruggedrongen door vrees, vrees, haar mooie begeerte te verliezen. Wat lag nu alles onduidelijk in haar, lang niet zoo helder als vroeger. Ze moest zich moedig houden, praatte ze zich echter toe, het ging immers toch niet!

Sluiten