Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begon Anna, terwijl ze haar zuster gelukkig aanzag.

— Stien, wil ik het je maar zeggen? Ge zult het zeker al wel een tijdje gemerkt hebben. Gisteravond heb ik er met moeder over gesproken, en al lang met m'n biechtvader, die het heel goed vond. Ik ga naar 't klooster. Ben dat tenminste van plan. Wil jij voor moeder blijven zorgen?

Wat kwamen die woorden van ver-weg! Hóe toonloos leken ze, zonder ziel! Wat klonk dat wezenloos! Het was of ze ineens gehuld werd in een nevel, waaruit ze een onbekende, een bijna geestelijke stem hoorde, zonder den aangenamen, welluidendén klank van menschelijk geluid. Wie praatte er eigenlijk ? Had zij zelf in de overvolheid van haar geluk het geheim van haar ziel verraden? Had Anna er iets van vermoed en het stil voor haar uitgezegd, toonend dat ze 't wel wist, het verborgene? Of was het Anna, die naar 't klooster wilde, die mocht gaan? Maar zou die niet vroeg of laat gaan trouwen, terwijl zij, Stien, met kloosterplannen liep ? En nu Anna ? zij ?

Ze voelde de verwondering eerst om het vreemde, dat daar zoo ineens en zoo onverwacht haar plannen kwam verijdelen. Die stond ook in de wijde) vragende oogen vol verbazing, waarmee ze haar zuster aanzag. Toen werd het een pijn, want duidelijk begreep ze ineens, wat er van haar ging gevraagd worden. Als in een baan van licht, door een stralend-sterke lantaarn in haar duistere toekomst geworpen, zag ze helder haar weg voor zich liggen: ze

Sluiten