Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo blijven in haar verdriet, altijd voelen die pijn van scheiding wilde ze wel, wilde ze graag indien het moest, zei haar sterke overtuiging en tóch moest ze klagen, moest ze roepen, moest ze schreien, wijl ze vreesde dat haar verlatenheid geen voorbijgaan zou kennen. Ze voelde tot haar angst soms een verre, erg-vage gedachte, meer als een huivering voor de ziekte nog dan het eerste beven van koorts, meer als het even óp-lichten van een vonk die wegspat en uitdooft dan als het opduiken van een klein en knippend licht in de verte. Het leek wel, dat er iets haar stond te bespieden, verscholen achter haar dagelijksche bezigheden, — ze kon het niet duidelijk onderscheiden bij strak en scherp toekijken, maar soms, onverwacht meende ze 't te bemerken, zooals wanneer men plotseling omkijkt, even de bespieders worden verrast en weer verdwijnen. Als ze haar moeder zag, aan die goede vrouw dacht, aan dat sukkelende, zwakke oudje, dat zoo blij was met de liefdevolle verzorging van haar kind, zoo tevreden met de gulle hartelijkheid van Stien, dan leek die de schuld. De schuld van haar gebroken leven! De schuld van haar onbevredigde begeerten, de schuld van die toekomst! O, neen, neen, het was geen schuld, het kon niet zijn! Zou ze nu haar moeder nog weg wenschen ? Zou ze willen dat haar moeder, haar eigen, oude moeder dood was en zij... vrij? Dan snikte ze t uit, dan knaagde de smart om dat opgedrongen denkbeeld, om die gedachte, welke niet van haar eigen was, aan haar teere leven. Tot ze eindelijk na dagen van tobben en

Sluiten