Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Somtijds echter werd het haar te machtig. Soms was ze zwak. Vooral des avonds, als het lag te martelen in haar hoofd, na een brief van Anna, nu Zuster Felicitas, die zoo opgeruimd schreef, altijd opnieuw getuigde, hoe zij zich op haar plaats vond. Bitter en nijdig haalde zij dan al het worstelen en wringen van haar verlangen vrijwillig in haar hoofd. Met de bangmakende koelheid en ongevoeligheid van een krankzinnig mensch zette ze het verleden voor haren geest, totdat ze zich duidelijk bewust werd, hoe dom ze deed, dat ze 't niet mocht doen van haar biechtvader. Snikkend lag ze dan te schreien om dien wee├źn en toch zoo zoeten strijd in haar binnenste, moest zelfs haar droefheid smoren onder laken en dekens. Kalm geworden, bad ze weer des te meer en legde ze zich er op toe, haar hoofd en hart te buigen. Maar midden onder haar werk hoorde ze een nijdige stem, die ineens spottend begon: Dat heb je voor al je fijnheid. Zie je niet, wat een saai en dood leven je hebt!... Fijn!... Ga nu naar 't klooster!... Wat gaf al dat gebid ?... Niets, niets!... Nog meer strijd!... Dan waren de anderen gelukkiger... Die gekten en lachten en waren tevreden... Die kwamen, waar ze wilden wezen... Hadden die ook zoo'n kruis ?... Wie is daar de schuld van ?...

Daar was voor haar geen beter middel tegen die venijnige bekoring, welke vlijmend-scherp en pijnlijk-diep in haar teerste wezen sneed, dan des avonds voor het HSacrament haar oogenblik van aanbidding doorbrengen of des morgens de H. Communie ontvangen. Dat had ze

Sluiten