Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toen ze thuis was, en de lange spelden uit haar hoed trok, zei ze luchthartig tot moeder, die rustig in een Zondagsblad zat te lezen:

— Moeder, raad eens! Nu ga ik zuster worden!... Ja, ja, ge behoeft er niet om te lachen, hoor, 't is meenens. Van middag nog ga ik me aangeven.

— Maar kind!..." En 'tvrouwke keek vreemd op; zoo ongewoon klonk dat, en zoo gauw kon ze zich niets herinneren, waaraan ze eenig houvast tot oordeelen had. Ze bleef haar Stientje aankijken, ongeloovig, verwonderd, raadselachtig.

— Ge wordt toch niet bang, is.wel, moederke? En ze kwam vlak naast haar zitten. Ik blijf bij u, hoor! En toch zuster, he? kun je dat niet raden? En zich dicht tot haar overbuigend, zei ze fluisterend: „Mag ik in de Derde Orde gaan, moeder? Als ze me willen, lachte ze er achter.

— Mag? waarom niet kind ? 't Is goed, heel goed! Ik ben blij, dat ge braaf zijt. Als ze je willen? Waarom zouden ze jou niet willen ? En moeder was al druk bezig in den geest haar kind te vergelijken met anderen, die ook Derde-Ordeling waren, en toch lang niet zoo... als haar Stien.

Het had voor haar in het begin de aantrekkelijkheid van het nieuwe, het vreemde; daar was iets in wat haar voldeed en een aansporing werd tot meer ijver. Haar leven kreeg een vasteren grondslag, een hoogere richting. Het was alles zoo eenvoudig, wat ze als novice in het

Sluiten