Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leeuwerik zich niet op zijn wiekende lied naar boven, de wolkige lucht in, men zou de lente nog ver, heel ver verwijderd wanen van de doodsche, eentonige vlakte. Nog een dag, en nog een, en op een middag, als het weeke, teere zonnelicht over de velden glijdt als een uitgegoten glans, staat men verbaasd, wijl men ziet hoe daar fijne sluiers van groen zweven in de toppen der heesters, over de kruinen der boomen. De zwarte en grauwe weiden en velden krijgen een gelig-groenen weerschijn, daar komen heldere, lichte plekken in van groen: dat deed de lente, de stille, de eenzame, de zachte lente.

Zoo heerlijk is *t een leven van vernieuwing rondom zich te zien, het gade te slaan bij zich zelf, het aan te treffen bij anderen, en daarover na te denken als een blijde, een opgetogene van geest.

Als zij 't nu nog eens overdacht 1 Wat was ten slotte toch alles mooi geworden rondom haar; wat was het alles rustig en rijk gaan leven en groeien in haar binnenste: in zonnige tevredenheid stond daar een wijde vlakte te groenen en ging bloeien, bloeien eens!

Het werk was haar een lust, en op de dagen, dat het zich als een last liet voelen werd het zoo'n zoete pijn door de geestdrift van opoffering, waarmee ze er aan begon, door de heiligende meening, waarin ze trachtte te dragen en te dulden. Ze kon lachen en haar best doen, gelaten en gelukkig. Dit immers moest haar boete zijn, als kind van Sint Franciscus; dit de geest van versterving, die over haar leven moest zweven als een lentelucht.

Sluiten