Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Neven haai zat moeder. Wat was ze aangedaan! Stien merkte het aan 't beverige hoofdschudden, aan de bewegelijkheid van haar oude, magere vingeren, aan 't hoorbare bidden van haar lippen.

Nooit had ze zelf de heiligheid, de waardigheid, het geluk van die roeping zóó doorvoeld, en toch, hoe dikwijls niet had ze alles in opgetogenheid overdacht! Ze liet haar kerkboek onopengeslagen; haar oogen volgden den priester, zagen op naar de heilige Hostie, dwaalden af naar de bruiden, die daar wachtend zaten, onbewegelijk bijna. Hoe ingetogen, hoe gelukkig moesten ze wel wezen! Ze hoorde de zachte, bescheiden muziek, den rustigen zang met het fluisterend orgelspel tot geleide. Ze bad, doch alleen met haar gedachten; slechts af en toe plooiden zich haar lippen in de lispeling van een enkel woord. Haar oogen begonnen pijn te doen, zeker wijl ze gevoelig werden doordat]trillende, schitterende kaarsenlicht tegen het blinkende, witte altaar aan en temidden der stille, witte leliën. Zoo zat ze een tijd en zei door haar houding, wat er omging in haar ziel. Ze zonk als 't ware weg in een diepte vol stilte, vol geheim, vol heiligheid. Daar wilde ze blijven, daar wilde ze rusten. En ongedwongen, vol eerbied, vol begeerte, vol gelatenheid, vouwde zich haar diepste wezen open voor de zuiver peilende oogen van den Oneindige; haar reine ziel met haar schat van gouden liefde,als een waterlelie, drijvend op een diepen, helderen maar kalmen vloed.

En 't was, of weer het vroegere smartelijke besef neer-

Sluiten